ECLI:NL:CRVB:2022:235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding bezwaarkosten bij onterechte herziening nabestaandenuitkering
Appellante ontving vanaf juli 2016 een nabestaandenuitkering. In mei 2018 beëindigde de Sociale verzekeringsbank (Svb) deze uitkering en herzag de uitkering met terugwerkende kracht, waarna zij een bedrag terugvorderde. Appellante maakte bezwaar tegen deze herziening. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) herzag later het besluit over de Wajong-uitkering en stelde vast dat appellante geen recht had op deze uitkering vanaf januari 2017.
De Svb verklaarde daarop het bezwaar van appellante gegrond en herstelde de nabestaandenuitkering, maar weigerde de bezwaarkosten te vergoeden omdat appellante de Svb pas in bezwaar had geïnformeerd over het bezwaar tegen het Uwv-besluit. De rechtbank Rotterdam wees het beroep van appellante af en oordeelde dat de Svb niet verwijtbaar was in het oorspronkelijke besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de Svb ten onrechte de vergoeding van de bezwaarkosten heeft geweigerd. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit voor zover het de kosten betreft, en veroordeelt de Svb tot vergoeding van de bezwaarkosten en het betaalde griffierecht. De Raad laat de vraag over verrekening van proceskosten buiten beschouwing omdat hierover geen besluit is genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van de bezwaarkosten en proceskosten aan appellante.