ECLI:NL:CRVB:2022:236
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging ouderdomspensioen naar gehuwdennorm per april 2020
Appellante ontving vanaf mei 2019 een AOW-pensioen dat ten onrechte was vastgesteld naar de norm van een alleenstaande, terwijl zij recht had op de gehuwdennorm. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft het pensioen daarom met terugwerkende kracht verlaagd en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd. Het bezwaar van appellante werd gedeeltelijk gegrond verklaard, waardoor de verlaging pas per april 2020 inging en de terugvordering verviel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wordt gediscrimineerd doordat de Svb haar als samenwonende gelijkstelt aan een gehuwde, terwijl het ABP haar niet als samenwonende erkent. Tevens klaagde zij over de procedurele gang van zaken, met name de deelname van de Svb via beeldverbinding.
De Raad oordeelt dat het ABP een private organisatie is en de AOW een eigen wettelijke grondslag heeft, waardoor de gehuwdennorm terecht wordt toegepast. Er is geen sprake van discriminatie, aangezien het onderscheid tussen samenwonenden en alleenstaanden gerechtvaardigd is. De procedurele klacht wordt verworpen omdat deelname via beeldverbinding conform de Coronaspoedwet is toegestaan en appellante niet in haar procesbelangen is geschaad.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Verzoeken om opheldering over de oorzaak van de fout bij de Svb worden buiten beschouwing gelaten omdat deze niet relevant zijn voor het juridische geschil. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het ouderdomspensioen van appellante is terecht verlaagd naar de gehuwdennorm per april 2020 en het beroep wordt ongegrond verklaard.