Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2361

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
20 / 4418
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 2 PWArt. 53a PWArt. 3:2 AwbArt. 14 EVRMArt. 1 Protocol 12 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending medewerkingsverplichting inzake Kimliknummers

Appellanten ontvingen sinds 2010 bijstand en hadden vermogen in Turkije, wat zij niet hadden opgegeven. Na een onrechtmatig onderzoek dat niet als bewijs mocht dienen, weigerden zij bij een nieuw onderzoek hun Turkse identiteitsnummers (Kimliknummers) te verstrekken. Het college schortte daarop het recht op bijstand op en trok dit in. Een nieuwe aanvraag werd afgewezen omdat appellanten opnieuw weigerden de Kimliknummers te overleggen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, wat appellanten in hoger beroep betwisten. Zij stellen dat het niet mag worden verlangd om Kimliknummers te verstrekken zonder aanleiding. De Raad oordeelt dat het college op grond van zijn onderzoeksplicht en bevoegdheden de juistheid van de opgave over vermogen mag controleren en dat gezien de eerdere weigering het college terecht opnieuw om de Kimliknummers mocht vragen.

De Raad stelt vast dat het college geen gebruik heeft gemaakt van het onrechtmatig verkregen bewijs uit het eerdere onderzoek. Door de weigering van appellanten om de Kimliknummers te verstrekken, hebben zij niet voldaan aan de medewerkingsverplichting volgens artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand werd terecht afgewezen wegens schending van de medewerkingsverplichting door weigering Kimliknummers te verstrekken.

Uitspraak

20.4418 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2020, 20/1799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] te [woonplaats] (appellanten)
het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 18 oktober 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2022. Namens appellanten is mr. Küçükünal verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 21 juni 2010 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 7 maart 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 augustus 2017, het recht op bijstand van appellanten ingetrokken met ingang van 21 juni 2010. Het dagelijks bestuur heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellanten hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Uit onderzoek is gebleken dat appellanten vanaf de ingangsdatum van hun bijstandsuitkering beschikten over vermogen in de vorm van een onroerende zaak in Turkije. De waarde van deze onroerende zaak is in juni 2016 getaxeerd op een bedrag tussen € 151.063,- en € 181.276,-. Met deze onroerende zaak beschikken appellanten over vermogen boven de grens van het vrij te laten vermogen, waardoor geen recht op bijstand bestaat.
1.2.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 mei 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1991, het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat het door het dagelijks bestuur uitgevoerde onderzoek strijd oplevert met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 1 van Pro Protocol 12 bij het EVRM. De onderzoeksresultaten zijn niet rechtmatig verkregen en het dagelijks bestuur heeft dan ook het besluit van 15 augustus 2017 niet kunnen baseren op de gegevens verkregen uit dit onderzoek.
1.3.
Vervolgens heeft het dagelijks bestuur een nieuw onderzoek ingesteld en appellanten verzocht om hun Turkse identiteitsnummers, ook genoemd TC Kimliknummers (Kimliknummers), over te leggen. Dit hebben appellanten geweigerd waarna het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellanten na opschorting met ingang van 12 of 19 maart 2019 heeft ingetrokken. Het beroep van appellanten tegen deze opschorting en intrekking is bij uitspraak van 30 maart 2022 onder nummer 21/4280 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
1.4.
Appellanten hebben op 24 december 2019 een aanvraag om bijstand ingediend. Het dagelijks bestuur heeft appellanten op 6 januari 2020 verzocht de aanvraag aan te vullen onder meer door het overleggen van hun Kimliknummers. Appellanten hebben deze gegevens niet verstrekt. Op 8 januari 2019 hebben appellanten schriftelijk verklaard dat zij niet over onroerende zaken in het buitenland beschikken. De aanvraag van appellanten is bij besluit van 27 januari 2020 buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 24 april 2020 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard op de grondslag dat appellanten hun medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, tweede lid, van de PW hebben geschonden door hun Kimliknummers niet te overleggen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellanten in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellanten stellen zich op het standpunt dat bij het aanvragen van bijstand, zonder dat daartoe aanleiding bestaat, van een betrokkene niet mag worden verlangd zijn Kimliknummer over te leggen. Appellanten betwisten dan ook dat de weigering deze Kimliknummers over te leggen een schending van de medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, tweede lid, van de PW oplevert.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager van bijstand de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven, onder meer over zijn inkomen en vermogen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van zijn onderzoeksplicht op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In geschil is of appellanten de medewerkingsverplichting hebben geschonden.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het onder 1.2 genoemde onrechtmatig verkregen bewijs niet aan de onderhavige besluitvorming ten grondslag mag worden gelegd. Dit laat echter onverlet dat het dagelijks bestuur op grond van zijn genoemde onderzoeksplicht en zijn onderzoeksbevoegdheden, zoals neergelegd in artikel 53a van de PW, ook in dit individuele geval, mag verifiëren en daartoe onderzoek kan (laten) verrichten of appellanten bij de aanvraag met juistheid hebben opgegeven niet te beschikken over onroerende zaken goed in Turkije.
4.3.
Allereerst wordt vastgesteld dat bij de behandeling van de onderhavige aanvraag het dagelijks bestuur geen gebruik heeft gemaakt van de resultaten van het onder 1.2 genoemde onrechtmatige onderzoek en het daaruit onrechtmatig verkregen bewijs. Zoals onder 1.4 is vermeld hebben appellanten het dagelijks bestuur laten weten geen onroerende zaken in het buitenland te bezitten. Het dagelijks bestuur is, gelet op wat in 4.1 is overwogen, in het kader van de beoordeling van de aanvraag gehouden om de verklaring van appellanten over vermogen in het buitenland op juistheid te controleren. Ter verificatie van deze gegevens mocht het dagelijks bestuur vervolgens, gelet ook op de onder 4.2 genoemde onderzoeksplicht en -bevoegdheden, van appellanten verlangen dat zij daaraan medewerking zouden verlenen door hun Kimliknummers over te leggen. Van een situatie van een (eerste) aanvraag zonder aanleiding om de Kimliknummers op te vragen, was hier geen sprake. Daarom faalt het betoog van appellanten. Immers, zoals onder 1.3 is vastgesteld, hebben appellanten bij een eerder onderzoek naar vermogen in het buitenland geweigerd die nummers af te geven en heeft het college, naar nu in rechte vaststaat, het recht op bijstand daarom mogen opschorten en intrekken. Bij de daarop volgende aanvraag mocht het college daarom deze medewerking van appellanten opnieuw verlangen. Door de weigering deze Kimliknummers te overleggen hebben appellanten in dit geval dus niet voldaan aan hun medewerkingsverplichting ingevolge artikel 17, tweede lid, van de PW.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2022.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) B. van Dijk