Uitspraak
21.3419 AW
OVERWEGINGEN
4.4. Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tussen 2007 en 2008 werkzaam bij een organisatie binnen het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Na beëindiging van het dienstverband verzocht hij de minister om erkenning van aansprakelijkheid en toekenning van schadevergoeding voor psychische problemen die hij tijdens zijn dienstverband had opgelopen.
De minister wees dit verzoek af omdat niet was komen vast te staan dat de werkomstandigheden objectief gezien buitensporig waren en tot arbeidsongeschiktheid hadden geleid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn leidinggevende zich onheus had uitgelaten tijdens een functioneringsgesprek en dat ook de omstandigheden rondom het verkrijgen van een werkgeversverklaring buitensporig waren. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet objectief buitensporig waren en dat de kritiek binnen de ambtelijke verhouding aanvaardbaar was.
Daarmee was niet voldaan aan de vereiste voor erkenning van aansprakelijkheid en schadevergoeding. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid en toekenning van schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief buitensporige werkomstandigheden.