ECLI:NL:CRVB:2022:2366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
21 / 142 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugbetalingsverplichting studiefinanciering na digitale aanvraag met DigiD

Appellante ontving studiefinanciering voor 2019 in de vorm van een lening, collegegeldkrediet en reisvoorziening, toegekend na een aanvraag die met haar DigiD was ingediend. Later werd deze aanvraag alsnog afgewezen en werd de studiefinanciering teruggevorderd. De minister stelde een maandelijkse aflossingsverplichting vast, waartegen appellante bezwaar maakte, dat ongegrond werd verklaard.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de aanvraag op naam van appellante is gedaan en dat zij verantwoordelijk is voor het gebruik van haar DigiD, ook omdat zij geen adequate maatregelen nam om misbruik te voorkomen, ondanks waarschuwingen. Appellante diende pas ruim een jaar na het incident aangifte bij de politie en reageerde pas na het terugvorderingsbesluit.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep vond geen nieuwe gronden die tot vernietiging van het besluit konden leiden. De terugbetalingsverplichting blijft bestaan en de eerdere uitspraak wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De terugbetalingsverplichting van de te veel betaalde studiefinanciering wordt bevestigd.

Uitspraak

21/142 WSF
Datum uitspraak: 2 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2020, 20/2670 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.H.J.W de Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2022. Voor appellant is verschenen mr. E. Steekelenburg, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber en mr. H. Bouhuys.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 16 februari 2019 heeft de minister, na een daartoe strekkende aanvraag, aan appellante studiefinanciering toegekend voor 2019 in de vorm van een lening, een collegegeldkrediet en een reisvoorziening.
1.2.
Bij besluit van 22 april 2019 heeft de minister de door onder 1.1 genoemde aanvraag alsnog afgewezen. Bij brieven van respectievelijk 22 april 2019 en 25 april 2019 zijn de inmiddels betaalde bedragen van haar teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 12 november 2019 heeft de minister aan appellante meegedeeld welk bedrag zij maandelijks ter aflossing van de te veel betaalde studiefinanciering moet terugbetalen.
1.4.
Bij besluit van 16 april 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het onder 1.3 genoemde besluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat vaststaat dat de minister op 16 februari 2019 op naam van appellante een aanvraag studiefinanciering voor een studie Bedrijfseconomie aan de Universiteit van Aruba heeft ontvangen. Voor het indienen hiervan was vereist dat deze met de DigiD van de aanvrager werd ondertekend. Nu de aanvraag op naam van appellante is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door haar is ingediend, of dat de aanvraag is ingediend door iemand aan wie zij haar DigiD ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank merkt op dat appellante pas ruim een jaar nadat het incident heeft plaatsgevonden bij de politie aangifte heeft gedaan. Niet is gebleken dat zij maatregelen heeft getroffen om fraude met haar DigiD te voorkomen, ook niet nadat de minister haar al in mei 2019 had verwezen naar www.digid.nl om eventueel misbruik van haar DigiD te voorkomen. Daarnaast blijkt dat appellante in het verleden (voor haar aanvraag studiefinanciering uit 2016) gekozen heeft voor digitale ontvangst van de berichten van DUO en daarbij heeft aangegeven dat zij attentiemails wenst te ontvangen. Naar aanleiding van de aanvraag uit 2019 zijn dergelijke mails ook verzonden. Appellante kon dus weten dat er een aanvraag studiefinanciering was gedaan, maar heeft pas naar aanleiding van het besluit van 12 november 2019 een bezwaarschrift ingediend. De minister heeft de ten onrechte toegekende studiefinanciering naar aanleiding van de digitale aanvraag die met de DigiD van appellante werd ingediend, terecht van haar teruggevorderd.
3. Appellante heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald, zij het in enigszins andere bewoordingen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Appellante beoogt met deze procedure te bereiken dat zij de schuld die is ontstaan door de toekenning van studiefinanciering bij het besluit van 16 februari 2019 niet hoeft terug te betalen.
4.2.
De rechtbank heeft wat appellante heeft aangevoerd in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom dat niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit en waarom de terugbetalingsverplichting blijft bestaan.
4.3.
In hoger beroep is niets aangevoerd dat kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van S.N. de Groot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2022.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) S.N. de Groot