ECLI:NL:CRVB:2022:2373

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2022
Publicatiedatum
8 november 2022
Zaaknummer
20 / 3873 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 31 PWArt. 34 PWArt. 7 Beleidsregels Bijzondere Bijstand 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten babypakket wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellante, die sinds 2016 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een babypakket voor haar eerste kind. Het college wees deze aanvraag af omdat de kosten voorzienbaar waren en appellante deze had kunnen reserveren of gespreid betalen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De Raad overweegt dat kosten van een babypakket incidentele, algemeen noodzakelijke kosten zijn die normaal gesproken uit het bijstandsinkomen betaald kunnen worden. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden, welke in deze zaak niet zijn vastgesteld. Appellante had vanaf het moment dat zij zwanger was kunnen reserveren, wat zij ook heeft gedaan.

Verder oordeelt de Raad dat het beleid van het college niet voorschrijft dat bij de geboorte van het eerste kind altijd bijzondere bijstand voor een babypakket wordt toegekend. Alleen bij bijzondere omstandigheden, zoals een ongewenste zwangerschap of complicaties, kan bijzondere bijstand worden verleend. Deze omstandigheden zijn hier niet aanwezig.

Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en blijft het bestreden besluit in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van een babypakket wordt bevestigd wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

20 3873 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2020, 20/5957 en 20/5958 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)
Datum uitspraak: 8 november 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Hemelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2022. Voor appellante is verschenen mr. Hemelaar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.B.M. Fels.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 20 oktober 2016 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellante heeft op 13 juli 2020 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een babypakket voor haar eerste kind. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft het college de aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 21 augustus 2020 heeft het college appellante bijzondere bijstand voor inrichtingskosten toegekend tot een bedrag van € 2.050,-, waarvan € 400,- voor de inrichting van de kinderkamer.
1.4.
Bij besluit van 26 augustus 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2020 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellante was sinds twee jaar bezig om zwanger te raken en zij is na een IVF-traject zwanger geraakt, zodat de kosten waren te voorzien. Appellante had dan ook voor de kosten kunnen reserveren, dan wel de kosten kunnen betalen door middel van gespreide betaling achteraf.
1.5.
Bij besluit van 15 september 2020 heeft het college appellante een individuele inkomenstoeslag van € 400,- toegekend.
1.6.
De dochter van appellante is geboren op 26 september 2020.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de PW niet van toepassing zijn.
4.2.
Uitgangspunt is dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodiek en incidenteel) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon. Alleen in bijzondere omstandigheden is dan aanvullend bijzondere bijstand nodig. Daarom kan op grond van artikel 35, eerste lid, van de PW alleen recht op bijzondere bijstand bestaan voor zover de betrokkene door bijzondere omstandigheden wordt geconfronteerd met kosten waarin de algemene bijstandsnorm niet voorziet of met kosten waarin de norm wel voorziet maar die hij door bijzondere omstandigheden niet uit de norm kan betalen. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatst genoemd kader moet worden beoordeeld.
4.3.
Niet in geschil is dat de kosten van een babypakket zich voordeden en dat die kosten noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of is voldaan aan het vereiste dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
Kosten van een babypakket zijn incidentele algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in dit geval kosten door bijzondere omstandigheden niet kan betalen uit het inkomen op bijstandsniveau. Appellante ontvangt sinds 20 oktober 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Op 18 augustus 2020 heeft haar gemachtigde tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard dat zij twee jaar geleden is gestart met een IVF-traject. Het was voor haar dus voorzienbaar dat zij mogelijk op enig moment kosten zou moeten maken. In ieder geval vanaf het moment dat zij wist dat zij zwanger was kon zij voorzien dat zij kosten zou moeten gaan maken. Zij had dan ook voor deze kosten kunnen reserveren en dat heeft appellante kennelijk ook gedaan. Blijkens de rapportage Aanvraag bijzondere bijstand van 17 juli 2020 heeft appellante namelijk verklaard dat zij ongeveer € 700,-, op haar bankrekening had laten staan voor kosten in verband met de komst van de baby. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat in de financiële situatie van appellante bijzondere omstandigheden zijn gelegen. Dat appellante als enige bron van inkomsten een bijstandsuitkering heeft, kan hieraan niet afdoen.
4.5.
Anders dan appellante aanvoert, valt uit het beleid van het college niet af te leiden dat het college een aanvraag voor de kosten van een babypakket ten aanzien van een eerste kind altijd zonder meer toewijst. Daarbij is het volgende van belang.
4.5.1.
Artikel 7, eerste lid en onder a, van de Beleidsregels Bijzondere Bijstand 2020 (beleidsregels) bepaalt:
“1. Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking, indien zij noodzakelijk zijn op grond van bijzondere omstandigheden en er geen sprake is van een voorliggende voorziening:
a. de kosten van een babypakket voor wie aantoonbaar langer dan 28 weken in verwachting is; indien het niet het eerste kind betreft kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand voor de kosten van een babypakket worden verleend”.”
4.5.2.
De Raad begrijpt artikel 7, eerste lid en onder a, van de beleidsregels - zoals ter zitting door de gemachtigde van het college toegelicht – zo, dat voor de kosten van een babypakket bijzondere bijstand kan worden verstrekt indien de aanvrager aantoonbaar langer dan 28 weken in verwachting is, de kosten noodzakelijk zijn en er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het college hanteert ten aanzien van het begrip bijzondere omstandigheden een vaste gedragslijn, die nader is uitgewerkt in uitvoeringsbeleid. Hierin is opgenomen dat bijzondere omstandigheden onder andere ook kunnen zijn gelegen in een zwangerschap op jonge leeftijd, een ongewenste zwangerschap (na een zedenmisdrijf), een zwangerschap van meerlingen of in het geval van complicaties bij de zwangerschap.
4.5.3.
Hoewel de Raad de opvatting van appellante deelt dat het beleid wellicht duidelijker had kunnen worden geformuleerd - zoals door het college ter zitting ook is erkend - volgt hieruit niet dat bij de geboorte van het eerste kind altijd aanspraak bestaat op bijzondere bijstand voor een babypakket. Ook in dat geval moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Hiervan is in het geval van appellante geen sprake.
4.6.
Uit 4.4 tot en met 4.5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van E.A.J. Westra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2022.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) E.A.J. Westra