ECLI:NL:CRVB:2022:2392
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot terugkomen van beëindiging Ziektewetuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, werkzaam als lader/losser, viel op 5 november 2015 uit wegens lichamelijke en psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Deze uitkering werd bij besluit van 5 december 2016 beëindigd omdat appellant meer dan 35% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Bezwaar, beroep en hoger beroep tegen deze beëindiging werden ongegrond verklaard.
Op 30 januari 2020 verzocht appellant om terug te komen van het besluit van 5 december 2016. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat alleen bij nieuwe feiten of omstandigheden herziening mogelijk is en dat het besluit niet evident onredelijk is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het bestreden besluit evident onredelijk is vanwege de zware gevolgen van de beëindiging en zijn opleidingsniveau. De Raad oordeelde dat het verzoek om terug te komen op het besluit terecht werd afgewezen omdat het oorspronkelijke besluit in rechte vaststaat en er geen nieuwe feiten zijn. De Raad bevestigde dat een discussie over de juistheid van het oorspronkelijke besluit niet in deze procedure kan worden gevoerd zonder nieuwe feiten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen van het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.