ECLI:NL:CRVB:2022:24
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als administratief medewerkster, viel uit wegens depressieve klachten na een traumatische bevalling en gezondheidsproblemen van haar dochter. Na een eerdere afwijzing van een WIA-uitkering in 2015, meldde zij zich in 2019 met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV kende haar per 16 april 2019 een WGA-vervolguitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 40%.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat de verslechtering van haar gezondheid pas vanaf april 2019 medisch geobjectiveerd kon worden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar verslechtering al in november 2018 was begonnen en dat zij niet beschikt over benutbare mogelijkheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV en de rechtbank terecht hadden vastgesteld dat de toegenomen beperkingen voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat de ingangsdatum van de toename van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld op 16 april 2019. Medische informatie van appellante kon het oordeel niet aantasten. De Raad bevestigde dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 40% terecht is vastgesteld.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van een WGA-vervolguitkering van 40% arbeidsongeschiktheid per 16 april 2019.