ECLI:NL:CRVB:2022:242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang in WIA-uitkeringszaak
Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering en later een WGA-vervolguitkering van het UWV. De ex-werkgever maakte bezwaar tegen de vervolguitkering, waarna een onderzoek leidde tot een besluit tot beëindiging van de uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en voerde aan recht te hebben op vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond voor zover het ging om de weigering van kostenvergoeding. In hoger beroep stelde appellant dat het UWV ten onrechte niet was veroordeeld tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Het UWV bood vervolgens alsnog vergoeding aan en gaf aan bereid te zijn ook griffierecht te vergoeden, met een voorbehoud tot verrekening.
De Raad oordeelde dat het UWV met het bestreden besluit en de brief van 25 mei 2021 volledig tegemoet was gekomen aan de bezwaren van appellant, waardoor er geen belang meer was bij een oordeel over het geschil. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.