Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2453

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
21 / 243 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder f, ParticipatiewetArt. 31, eerste lid, derde volzin, Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand na ontvangst belastingteruggaaf ouderenkorting

Appellant ontving in 2017 bijstand ingevolge de Participatiewet tot 17 oktober, waarna hij een AOW-pensioen ging ontvangen. In dat jaar ontving appellant een belastingteruggaaf van €1.555,- die betrekking had op de alleenstaande ouderenkorting. Het college stelde dat deze heffingskorting moet worden toegerekend aan het kalenderjaar 2017 en dat de teruggaaf als middel moet worden beschouwd bij de terugvordering van bijstand.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college terecht de belastingteruggaaf naar rato heeft toegerekend aan de periode waarin appellant bijstand ontving. De stelling van appellant dat hij pas vanaf de AOW-leeftijd recht had op de ouderenkorting en dat er daarom geen middelen waren tijdens de bijstandsperiode, wordt verworpen. De terugvordering van €1.233,10 is dan ook gegrond.

Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

21.243 PW-PV

Datum uitspraak: 8 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2020, 1/3045 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Opsterland (college)
Zitting heeft: M. Hillen
Griffier: Y.S.S. Fatni
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Hiemstra.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is de terugvordering van bijstand met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (PW) tot een bedrag van € 1.233,10 van appellant na de ontvangst van een belastingteruggaaf van de Belastingdienst.
Appellant ontving, voor zover van belang, van 1 januari 2017 tot 17 oktober 2017 bijstand ingevolge de PW. Met ingang van 17 oktober 2017 ontvangt appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Niet in geschil is dat appellant over het jaar 2017 van de Belastingdienst een teruggaaf inkomstenbelasting heeft ontvangen tot een bedrag van € 1.555,- en dat deze teruggaaf betrekking heeft op de zogeheten (alleenstaande) ouderenkorting. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze korting als heffingskorting moet worden toegerekend aan – in dit geval – het kalenderjaar 2017. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537. Ingevolge artikel 31, eerste lid, derde volzin, van de PW behoort in elk geval tot de middelen de toepasselijke heffingskorting, zoals in dit geval de (alleenstaande) ouderenkorting. Het college heeft de door appellant ontvangen belastingteruggave in verband met deze heffingskorting naar rato toegerekend aan de periode waarover de bijstand is verleend. De beroepsgrond van appellant dat hij niet eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd recht had op de (alleenstaande) ouderenkorting en dat daarom geen sprake is van middelen over een periode waarin hij bijstand ontving, slaagt derhalve niet. Het college was bevoegd tot terugvordering.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
Y.S.S. Fatni (getekend) M. Hillen (getekend)