Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:251

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
7 februari 2022
Zaaknummer
20/2866 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding

Deze zaak betreft het hoger beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel om de bijstand van appellante in te trekken en een aanvraag voor bijzondere bijstand af te wijzen. Het college stelde dat appellante zonder melding een gezamenlijke huishouding voerde met X op het uitkeringsadres.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had en dat appellante en X zorg voor elkaar droegen. Dit bleek onder meer uit verklaringen van appellante, waarnemingen van X en zijn auto, het pinggedrag van X, en het contract met de energieleverancier dat op naam van X stond.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat er onvoldoende feitelijke grondslag was, maar herhaalde slechts eerdere argumenten zonder nieuwe feiten of redenen. De Raad volgde de rechtbank in haar gemotiveerde oordeel en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De intrekking van bijstand en afwijzing van bijzondere bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding wordt bevestigd.

Uitspraak

20.2866 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2020, 20/409 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)
Datum uitspraak: 18 januari 2022
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: T. Ali
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2022. Namens appellante is mr. E.B. Jobse verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Deze zaak gaat over een besluit van het college van 30 juli 2019 om de bijstand van appellante in te trekken per 1 juni 2019, omdat appellante zonder dat zij dat heeft gemeld een gezamenlijke huishouding voert met X op haar adres (uitkeringsadres). Om dezelfde reden heeft het college bij besluit van 31 juli 2019 de aanvraag van appellante van 19 juli 2019 om bijzondere bijstand afgewezen. Bij het bestreden besluit van 11 december 2019 heeft het college de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank bieden de onderzoeksbevindingen, anders dan appellante heeft betoogd, een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat X zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Zo heeft appellante verklaard dat X bij haar verblijft sinds december 2018 en dat hij een sleutel van haar woning heeft. De waarnemingen waarbij X en/of zijn auto is gezien bij of in de buurt van het uitkeringsadres bevestigen verder dit beeld. Ook uit het pingedrag van X blijkt dat hij voornamelijk pint en tankt in de buurt van het uitkeringsadres en niet in de buurt van het adres waar hij staat ingeschreven. Verder volgt uit de onderzoeksbevindingen volgens de rechtbank dat appellante en X in zorg voor elkaar voorzien. Zo mag X volgens de verklaring van appellante bij haar verblijven vanwege relatieproblemen en doet hij dit sinds december 2018. Ook heeft zij verklaard dat zij kleding van X wast en dat hij altijd kan aanschuiven als zij heeft gekookt. Het contract met de energieleverancier voor het uitkeringsadres staat op naam van X en hij betaalt de energierekeningen ook. Verder heeft appellante verklaard dat X haar veel helpt, onder meer door haar geld te lenen en bijvoorbeeld melk te kopen als haar uitkering nog niet binnen is. X helpt haar als ze hulp nodig heeft bij dagelijkse dingen in huis en hij brengt haar en haar kinderen met de auto als zij verder van huis moeten zijn. Volgens appellante onderhoudt X haar tuin en zij heeft ook zijn telefoonnummer op de school van haar kinderen doorgegeven als contactnummer.
3. In hoger beroep heeft appellante opnieuw, net als in bezwaar en beroep, aangevoerd dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat zij een gezamenlijke huishouding voert met X.
4. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
5. Gelet op het voorgaande is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) T. Ali (getekend) A.M. Overbeeke
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.