Appellant diende in november 2010 een aanvraag in voor studiefinanciering bestaande uit een basisbeurs en een lening over de periode vanaf april 2011. Later werd een aanvullende beurs toegekend voor een periode vanaf september 2014. In 2019 vroeg appellant om een aanvullende beurs met terugwerkende kracht over de periode april 2011 tot augustus 2013, maar dit verzoek werd door de minister afgewezen op grond van artikel 3.21 Wsf 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant niet tijdig een aanvullende beurs had aangevraagd en de aanvraagprocedure duidelijk was. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situatie van appellant niet vergelijkbaar was met die van zijn zus, die wel tijdig een aanvullende beurs had aangevraagd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de aanvraagprocedure onduidelijk was en dat hij abusievelijk een lening had aangevraagd in plaats van een aanvullende beurs. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de aanvraagprocedure gebrekkig was en dat het verschil tussen lening en aanvullende beurs duidelijk was. Ook bood het omzettingsbesluit van 2017 geen steun voor zijn stellingen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.