ECLI:NL:CRVB:2022:2516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag langdurige zorg wegens ontbreken blijvende behoefte permanent toezicht
Appellant, vader van een minderjarige met tyrosinemie en diverse fysieke en cognitieve beperkingen, vroeg langdurige zorg aan op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees de aanvraag af omdat er geen blijvende behoefte was aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid, ondanks de grondslag lichamelijke handicap.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De rechtbank vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch advies dat de grondslag verstandelijke handicap niet kon worden vastgesteld wegens ontbrekende actuele intelligentiebepaling en onderzoek naar adaptieve vermogens. Ook was er volgens de rechtbank geen blijvende noodzaak voor 24-uurszorg omdat appellant zelf op relevante momenten hulp kan inroepen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Er waren geen nieuwe medische stukken die het eerdere advies in twijfel trokken. De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.2.1 Wlz en wees het hoger beroep af.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wlz-aanvraag wordt bevestigd.