Appellante ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Zij verhuisde echter per 9 november 2018 naar een ander adres zonder dit te melden aan het dagelijks bestuur, wat een schending van haar inlichtingenverplichting opleverde. Het dagelijks bestuur schortte haar bijstand op en trok deze later met terugwerkende kracht in, en legde een boete op wegens deze schending.
Appellante voerde aan dat zij niet onjuist was geïnformeerd over haar verplichtingen en dat haar stressvolle privésituatie haar verhinderde de wijziging te melden. De Raad oordeelde dat het voor appellante duidelijk had moeten zijn dat het woonadres van belang is voor het recht op bijstand en dat zij de wijziging had moeten doorgeven. De aangevoerde bewijsstukken boden onvoldoende duidelijkheid over haar verblijfplaats in de betreffende periode.
De Raad verwierp de beroepsgronden en bevestigde zowel de intrekking van de bijstand als de opgelegde boete, waarbij rekening werd gehouden met de draagkracht van appellante. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.