Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2541

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2022
Publicatiedatum
28 november 2022
Zaaknummer
22/535 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 Wet WIAArt. 54 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen

Appellante, werkzaam als groepsbegeleider, meldde zich ziek na een auto-ongeluk in 2013. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2020 werd opnieuw vastgesteld dat haar beperkingen niet waren toegenomen binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling in 2016.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische rapporten consistent en voldoende gemotiveerd waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij volledig arbeidsongeschikt was door een combinatie van lichamelijke en psychische klachten, maar de Raad volgde het standpunt van het UWV.

De Raad concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat het verzoek om een deskundige te benoemen niet gegrond was. Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.

Uitspraak

22.535 WIA

Datum uitspraak: 24 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 januari 2022, 21/675 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Teeuwen-Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend en verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2022. Appellante is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Teeuwen-Verkoeijen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam als groepsbegeleider 2 voor gemiddeld 28,45 uur per week. Op 10 november 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met diverse klachten na een autoongeval in september 2013. Het Uwv heeft geweigerd appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 14 september 2016 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2016 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 23 oktober 2018 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 augustus 2021 heeft deze Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2.
Appellante heeft zich op 25 juni 2020 bij het Uwv gemeld met een verzoek om herbeoordeling in verband met toegenomen klachten. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2020 geweigerd om appellante per 25 juni 2020 een WIA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 14 september 2016. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 21 januari 2021 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten inconsistenties bevatten of onvoldoende zijn gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgebreid ingegaan op de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit en heeft het primaire dossier, de bij de hoorzitting verkregen informatie en de informatie van de behandelend specialist meegenomen. Uit de beschikbare informatie is geen duidelijke oorzaak voor de klachten naar voren gekomen. In de FML uit 2016 zijn veel beperkingen aangenomen, de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet niet in hoe de situatie in 2020 verschilt van de situatie in 2016 en heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Gelet op de beschikbare medische gegevens is het volgens de rechtbank duidelijk dat appellante beperkingen ondervindt in het normaal functioneren, maar dat zij wel over benutbare mogelijkheden beschikt. Appellante heeft haar standpunt dat de medische oordelen van de verzekeringsartsen niet juist zouden zijn en er onvoldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML onderbouwd met medische stukken van de behandelend sector. Daaruit is wel een aantal beperkingen op te maken, die het Uwv ook terecht heeft meegenomen, maar de rechtbank heeft in al die stukken geen grond gezien voor twijfel aan de standpunten van de verzekeringsartsen. In het bijzonder blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de artsen van het Uwv bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante per datum in geding van onjuiste of onvolledige medische gegevens zijn uitgegaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu wordt geconcludeerd dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, er geen aanknopingspunten zijn voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige.
3.1.
Appellante heeft primair betoogd dat zij gelet op haar klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen geen benutbare mogelijkheden heeft. Appellante heeft in dat kader gesteld dat sprake is van een combinatie van lichamelijke klachten en psychische klachten (PTSS en aanpassingsstoornis met angstklachten), waarvoor zij (in het voorjaar van 2021) werd verwezen naar een klinisch neuropsycholoog. Ter ondersteuning van het standpunt dat zij volledig arbeidsongeschikt is heeft appellante verwezen naar bijgevoegde afschriften uit de DSM V, waaruit blijkt welke kenmerken aanwezig kunnen zijn bij een PTSS en aanpassingsstoornis. Appellante heeft ook gesteld dat zij door de combinatie van klachten zodanig wisselend belastbaar is, dat zij niet tot het verrichten van arbeid in staat is en zich vaak zal moeten ziekmelden. Van een werkgever kan dan ook niet worden verwacht appellante in dienst te nemen. Subsidiair heeft appellante gesteld dat zij op de datum in geding toegenomen beperkingen had vergeleken met de beoordeling per 14 september 2016. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de pijnproblematiek, de slaapstoornissen en de eetproblemen, ook sprake dient te zijn van een urenbeperking op basis van energetische gronden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de in de bezwaar- en beroepsfase overgelegde medische informatie van de behandelend sector, en naar in hoger beroep overgelegde medische informatie. Gelet op de gerezen twijfel heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Tot slot heeft appellante gesteld dat de in 2016 voor haar geselecteerde functies niet geschikt zijn.
3.2.
Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar rapporten van 6 september 2022 en 3 oktober 2022, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4.De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA ontstaat het recht op een WGA uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat bij appellante met ingang van 25 juni 2020 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 14 september 2016 in de zin van artikel 55 eerste Pro lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
4.3.1.
Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken. De overwegingen en het oordeel van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.2.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv een rapport van 6 september 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin nader gemotiveerd dat (ook) psychisch gezien geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van 14 september 2016 en dat een urenbeperking niet aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, met een verwijzing naar wat is vastgesteld door de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarfase, wat betreft de psychische klachten geconstateerd dat appellante zich voortdurend en onveranderd niet gehoord, niet gezien en niet serieus genomen voelt. Dit wordt vermeld in 2016 (informatie van Buro van Roosmalen) en in november 2021 (informatie van Max Ernst GGZ), terwijl onderzoek van de psyche zonder uitzondering vergelijkbaar is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de eerder aangegeven beperkingen onveranderd van toepassing zijn en dat er geen enkele indicatie is om meer beperkingen aan te nemen. Daar doet volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan af dat in 2021 opnieuw een behandeling is gestart, nu het gaat om de gevolgen van ziekte of gebrek en deze al jaren stabiel blijken te zijn. Onder verwijzing naar de standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid heeft de verzekeringsarts bezwaar nader gemotiveerd dat er geen indicatie is voor een urenbeperking. Deze inzichtelijk en toereikend gemotiveerde conclusies worden gevolgd.
4.3.3.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat per 25 juni 2020 sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak onderbouwd met een (al in de beroepsfase overgelegd) behandelplan SGGZ van 25 november 2021 van Max Ernst GGZ, een (in het kader van de letselschadeprocedure uitgebracht) conceptrapport van 19 mei 2022 van KNO-arts G.J. Hordijk en brieven van 3 juni 2022 en 24 juni 2022 van medisch adviseur H.H. Stad naar aanleiding van het (concept)rapport van KNO-arts Hordijk. In een rapport van 3 oktober 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat deze medische informatie geen aanleiding geeft om het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 oktober 2022 wat betreft het behandelplan van Max Ernst GGZ volstaan met een verwijzing naar het (in beroep uitgebrachte) rapport van 14 december 2021 waarin deze informatie al is vermeld en gewogen en naar het (in 4.3.2 genoemde) rapport van 6 september 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook vermeld dat in het rapport van KNO-arts G.J. Hordijk geen nieuwe medische feiten en/of omstandigheden worden genoemd. Er wordt geen aanleiding gezien voor twijfel aan dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt.
4.3.4.
Uit overwegingen 4.3.1 tot en met 4.3.3 volgt dat geen twijfel bestaat aan het standpunt van het Uwv dat per 25 juni 2020 geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Daarom bestaat er geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige. Het verzoek van appellante daartoe wordt dan ook afgewezen.
4.4.
Nu per 25 juni 2020 geen sprake is van een toename van de medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak, wordt aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen.
4.5.
Uit 4.3 volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is van een toename van medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Omdat eerst in hoger beroep (met het rapport van 6 september 2022 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep) een afdoende medische onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit, is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld door de aanvulling van de motivering, zal onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb de schending van artikel 7:12 van Pro die wet worden gepasseerd. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding afgewezen.
5. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.518,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,-). Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2022.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) K.M. Geerman