ECLI:NL:CRVB:2022:2541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam als groepsbegeleider, meldde zich ziek na een auto-ongeluk in 2013. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2020 werd opnieuw vastgesteld dat haar beperkingen niet waren toegenomen binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling in 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische rapporten consistent en voldoende gemotiveerd waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij volledig arbeidsongeschikt was door een combinatie van lichamelijke en psychische klachten, maar de Raad volgde het standpunt van het UWV.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en dat het verzoek om een deskundige te benoemen niet gegrond was. Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.