ECLI:NL:CRVB:2022:2551
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen beperkingen
Appellante ontving sinds 2008 een WGA-uitkering, welke in 2013 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en beroep zijn meerdere besluiten genomen waarbij appellante verzocht om herziening op grond van vermeende toegenomen klachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsartsenrapporten dat er geen sprake was van nieuwe feiten of toegenomen beperkingen die herleving van de uitkering rechtvaardigen.
De rechtbank heeft eerder de beroepen van appellante ongegrond verklaard, waarbij werd benadrukt dat voor herziening nieuwe feiten of omstandigheden vereist zijn. Appellante voerde onder meer aan dat haar klachten, waaronder astma, migraine, gehoorproblemen en een cardiale aandoening, waren toegenomen en dat het opleidingsniveau onjuist was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep het standpunt van de rechtbank onderschreven. Medische rapporten toonden aan dat de beperkingen sinds 2013 niet substantieel waren toegenomen en dat de cardiale aandoening mogelijk reeds bestond bij de oorspronkelijke beoordeling. Het verzoek om benoeming van een deskundige werd afgewezen wegens gebrek aan twijfel aan de medische beoordeling. Ook de stelling van discriminatie werd niet onderbouwd.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraken en verklaart de beroepen ongegrond, zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot herziening van de beëindiging van de WIA-uitkering af wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.