Appellante ontvangt sinds 2013 een WIA-uitkering en vanaf 2015 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na een anonieme melding dat zij samenwoont met haar echtgenoot X, verricht het UWV een onderzoek. Op basis van verklaringen en waarnemingen concludeert het UWV dat X sinds 1 juli 2016 grotendeels op het uitkeringsadres verblijft. Hierdoor wordt de toeslag verlaagd en een terugvordering van €9.195,52 opgelegd, evenals een boete van €4.597,76 wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, oordeelt dat er sprake is van gezamenlijke huishouding en dat appellante verwijtbaar heeft gehandeld. Appellante voert in hoger beroep aan dat X slechts tijdelijk verbleef tijdens zijn revalidatie en dat er geen gezamenlijke huishouding was. Ook stelt zij dat terugvordering tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen leidt. De Raad oordeelt dat appellante deze dringende redenen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Het UWV verlaagt de boete in een nader besluit naar €40 vanwege draagkracht. De Raad vernietigt het eerdere besluit over de boete en verklaart het beroep gegrond voor zover de boete betreft. De boete van €40 wordt als evenredig beoordeeld. De terugvordering blijft gehandhaafd. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.