Appellante heeft een aanvraag bijzondere bijstand gedaan die door het college is afgewezen. Zij stelde een dwangsomverzoek wegens niet tijdig beslissen, dat het college gedeeltelijk toekende. De rechtbank stelde de dwangsom vast op €357,- en kende wettelijke rente toe, maar verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Appellante ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel gaf over haar verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden omdat de procedure vanaf het moment van het bestreden dwangsombesluit tot de uitspraak minder dan twee jaar duurde.
Ook de periode waarin het college niet tijdig besliste is korter dan twee jaar gerekend vanaf het moment dat het beroep werd ingesteld. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak voor het niet beslissen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade, wijst dit verzoek af en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.