ECLI:NL:CRVB:2022:2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voorheen werkzaam als opruimer in de bouw, ontving sinds 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 100%. Na een herbeoordeling in 2019, mede op basis van medisch onderzoek in Turkije en een Functionele Mogelijkhedenlijst, stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en beëindigde de uitkering per 14 mei 2020.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard, en stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen passend waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende was, dat medicatie niet was meegenomen, en dat er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, onder meer vanwege psychische klachten en fysieke symptomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak. De Raad stelt vast dat de ernst van de beperkingen sinds 2011 is afgenomen, dat appellant geen aanvullende medische gegevens heeft overgelegd, en dat de arbeidskundige beoordeling de geschiktheid van de functies voldoende heeft gemotiveerd. De Raad wijst ook het bezwaar af dat de functies ongeschikt zouden zijn vanwege taalvaardigheid, omdat de werkzaamheden vooral bestaan uit visuele instructies. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd.