ECLI:NL:CRVB:2022:26
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WGA-vervolguitkering bij 61,87% arbeidsongeschiktheid
Appellant was arbeidsongeschikt verklaard na uitval wegens hartklachten en ontving een WGA-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 65,94%. Na een herbeoordeling door het UWV werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 61,36%, later herzien naar 61,87% na bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de lichamelijke en psychische klachten en dat het opleidingsniveau 2 juist was vastgesteld op basis van werkervaring en certificaten.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte uitging van opleidingsniveau 2 en onvoldoende rekening hield met psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling, stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de arbeidsdeskundige voldoende had gemotiveerd dat appellant voldoet aan opleidingsniveau 2, mede op basis van zijn werkervaring en behaalde certificaten.
De Raad wees het verzoek af om een onafhankelijk deskundige te benoemen vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 61,87%.