ECLI:NL:CRVB:2022:2615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
22/828 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, laatstelijk werkzaam als assistent teamleider, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische rapporten zorgvuldig en consistent achtte. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onvoldoende waren meegewogen en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling voldoende was gemotiveerd, ook met betrekking tot psychische klachten zoals PTSS, en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsberekening was gebaseerd medisch passend waren. De door appellant overgelegde aanvullende psychologische informatie leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af, waardoor geen WIA-uitkering wordt toegekend.

Uitspraak

22.828 WIA

Datum uitspraak: 30 november 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2022, 21/3060 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Kafa, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kafa. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als meewerkend assistent teamleider sorteercentrum post voor 43 uur per week. Op 22 oktober 2018 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts in dienst van het Uwv. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 september 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 17 september 2020 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 19 oktober 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 april 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 16 maart 2021 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 26 april 2021 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daar waar het rapport van de primaire arts een tegenstrijdigheid bevat wordt dit ondervangen door het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank bovendien eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe haar beoordeling tot stand is gekomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft uitgelegd waarom niet meer of andere beperkingen zijn aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de klachten van appellant meegewogen in zijn medisch oordeel. De daaruit voortvloeiende beperkingen zijn volgens de rechtbank zorgvuldig en niet onbegrijpelijk beargumenteerd. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medische informatie ingediend. Gelet daarop heeft de rechtbank in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 26 april 2021 voldoende heeft uitgelegd waarom de aan appellant voorgehouden functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv in de FML onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen als gevolg van zijn knie-, rug- en nekklachten en zijn psychische klachten. Omdat de door het Uwv vastgestelde klachten afwijken van zijn feitelijke klachten heeft appellant verzocht een onafhankelijk deskundige te benoemen om zijn mogelijkheden te beoordelen. Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft appellant informatie van GZ-psycholoog R. Dannaoui van 22 juli 2022 overgelegd.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 19 oktober 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze medische gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag zijn gelegd worden onderschreven.
4.4.
De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de GZ-psycholoog kan niet leiden tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 september 2022 op een inzichtelijke wijze uiteen heeft gezet dat de beschrijvende diagnose van de GZ-psycholoog overeenkomt met de anamnese door de primaire arts en de beschrijving van de klachten tijdens de hoorzitting in bezwaar. Dat sprake was van PTSS op basis van zijn traumatische ervaringen in oorlogen is bekend en daarmee is ook rekening gehouden bij het vaststellen van zijn beperkingen in de FML. Appellant heeft niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid niet juist zou zijn. Dit betekent dat geen aanleiding bestaat om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.6.
Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per 19 oktober 2020 een WIA-uitkering toe te kennen. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2022.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) S.C. Scholten