ECLI:NL:CRVB:2022:2639

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2022
Publicatiedatum
8 december 2022
Zaaknummer
20/2621 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na verlaging boete en proceskostenveroordeling

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een boetebesluit van het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis. Het college heeft vervolgens een nieuw besluit genomen waarin de boete is verlaagd naar € 906,13. Naar aanleiding hiervan heeft appellant het hoger beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenveroordeling van het college.

De Centrale Raad van Beroep heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het hoger beroep gesloten. Op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is het college veroordeeld tot betaling van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken in bezwaar, beroep en hoger beroep.

De proceskosten zijn begroot op een totaalbedrag van € 2.600,-, waarbij appellant zich voor het betaalde griffierecht rechtstreeks tot het college kan wenden. De uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in aanwezigheid van griffier P.A.M. Hulsdouw, op 7 december 2022.

Uitkomst: Het college is veroordeeld tot betaling van € 2.600,- aan proceskosten aan appellant na verlaging van de boete en intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 december 2022
20/2621 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2020, 20/167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Hoesenie, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft in een nieuw besluit de boete verlaagd naar € 906,13.
Bij brief van 14 juni 2022 heeft mr. Hoeseni namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld is dat het hoger beroep namens appellant is ingetrokken omdat in een nieuw besluit de boete is verlaagd naar € 906,13.
De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.082,- in bezwaar, € 759,- in beroep en € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellant zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.600,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.J. Janssen, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2022.
(getekend) J.J. Janssen
(getekend) P.A.M. Hulsdouw