Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2656

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2022
Publicatiedatum
9 december 2022
Zaaknummer
21/453 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en veroordeling UWV in proceskosten

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV, maar trok dit hoger beroep later in nadat het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar had genomen. De Centrale Raad van Beroep heeft op basis van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek tot intrekking van het hoger beroep aanvaard.

De Raad heeft vervolgens overwogen dat het UWV de kosten die appellante in bezwaar heeft gemaakt reeds heeft vergoed, maar dat het nog moet worden veroordeeld in de kosten die appellante in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskostenvergoeding is vastgesteld op in totaal € 2.277,-, bestaande uit kosten in beroep en hoger beroep.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten vanwege de intrekking en heeft het UWV veroordeeld tot betaling van deze proceskosten. Appellante kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het UWV verhalen.

De uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in aanwezigheid van griffier H. Alajai, en uitgesproken op 7 december 2022.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.277,- aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 december 2022
21/453 en 22/2709 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
23 december 2020, 19/6791 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 19 augustus 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 1 september 2022 heeft mr. Van de Griend namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar heeft vergoed, moet de Raad alleen nog oordelen over de in beroep en hoger beroep gemaakte kosten.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 1.518,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 759,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand € 2.277,-.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.277,-.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2022.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) H. Alajai