ECLI:NL:CRVB:2022:2659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als verkoopster, meldde zich ziek op 12 oktober 2015 en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 9 oktober 2017 toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar klachten, waaronder fibromyalgie en multimorbiditeit, onderschat waren. Zij stelde volledig arbeidsongeschikt te zijn. De Raad liet een onafhankelijk deskundige verzekeringsarts het dossier beoordelen, die aanvullende beperkingen adviseerde, welke door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werden overgenomen in een aangepaste FML.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bevestigde dat de eerder geselecteerde functies ondanks de aanvullende beperkingen passend zijn. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in hoger beroep pas voldoende gemotiveerd is, maar dat dit gebrek met toepassing van de Awb wordt gepasseerd omdat appellante niet benadeeld is. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.