ECLI:NL:CRVB:2022:2671
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende aannemelijkheid laag inkomen
Appellante ontvangt sinds 2005 bijstand en deed op 2 april 2020 een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen wees deze aanvraag af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat haar inkomen in de 36 maanden voorafgaand aan de peildatum lager was dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij geen inkomsten had ontvangen uit het knippen van hennep in mei 2019, maar zij onderbouwde deze stelling niet met bewijs. De Raad oordeelde dat het college het recht op bijstand en daarmee de individuele inkomenstoeslag niet kon vaststellen omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen inkomen had uit deze werkzaamheden.
De Raad verwierp het verweer dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen door het ontbreken van nader onderzoek naar de inkomsten van appellante. Omdat appellante niet duidelijk heeft gemaakt dat zij geen inkomen had of kon hebben uit het knippen van hennep, was het besluit terecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar inkomen lager was dan 110% van de bijstandsnorm.