ECLI:NL:CRVB:2022:2674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid adviseur bankzaken
Appellant was werkzaam als adviseur dagelijkse bankzaken en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering per 27 januari 2020 na een medische beoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep die appellant geschikt achtte voor zijn laatst verrichte arbeid.
Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij niet arbeidsgeschikt was vanwege diverse psychische klachten en onderbouwde dit met het patiëntendossier van zijn huisarts. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts de klachten had meegewogen en dat er geen aanleiding was om aan diens oordeel te twijfelen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, maar de Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn medische beoordeling voldoende had gemotiveerd. De Raad vond geen aanwijzingen in het huisartsdossier die het standpunt van appellant ondersteunden en bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat op grond van de Ziektewet de ongeschiktheid moet zijn vastgesteld als rechtstreeks en objectief medisch gevolg van ziekte en dat de laatst verrichte arbeid als maatstaf geldt. De verzekeringsarts had tijdens de hoorzitting vastgesteld dat appellant geen zichtbare stoornissen vertoonde en niet in intensieve behandeling was. De Raad wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per datum in geding geschikt is voor zijn laatst verrichte arbeid, waardoor de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd.