ECLI:NL:CRVB:2022:2684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich ziek vanwege een achillespeesblessure, waarvoor zij meerdere operaties onderging. Na een eerste beoordeling werd zij volledig arbeidsongeschikt verklaard, maar het UWV weigerde later een WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek kende het UWV een WIA-uitkering toe vanaf 23 mei 2019, maar beëindigde deze per 7 januari 2020 op basis van een herbeoordeling.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de beëindiging ongegrond en oordeelde dat het achterwege laten van een hoorzitting in bezwaar een formeel gebrek vormde, maar dat appellante daardoor niet was benadeeld omdat zij in beroep alsnog haar standpunt mondeling kon toelichten. Tevens werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar, gecombineerd met een summier bezwaarschrift en het ontbreken van een medische herbeoordeling, tot benadeling had geleid. De Raad overwoog echter dat de rechtbank dit gemotiveerd had verworpen en dat de medische beoordeling adequaat was, mede omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over relevante medische informatie en de belastbaarheid van appellante correct had vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten. De WIA-uitkering van appellante werd daarmee terecht beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en oordeelt dat appellante niet is benadeeld door het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar.