ECLI:NL:CRVB:2022:2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering en afwijzing ZW-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verkoopster en meldde zich op 16 maart 2016 ziek. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Dit werd door de rechtbank bevestigd. Later meldde appellante zich opnieuw ziek met toegenomen klachten, waarna het UWV ook een ZW-uitkering weigerde. Ook deze beslissing werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep verzocht appellante om benoeming van een deskundige. Na onderzoek en rapportage van de verzekeringsarts werd de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar 51,75%, waarna het UWV een nieuwe beslissing nam en een loongerelateerde WGA-uitkering toekende met ingang van 14 maart 2018. De afwijzing van de ZW-uitkering bleef gehandhaafd omdat appellante op dat moment niet verzekerd was voor de ZW.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak over de WIA-uitkering en het bijbehorende besluit, maar verklaarde het beroep tegen de nieuwe beslissing ongegrond. De afwijzing van de ZW-uitkering werd bevestigd met verbetering van de motivering. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Appellante krijgt een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met 51,75% arbeidsongeschiktheid en de afwijzing van de ZW-uitkering wordt bevestigd.