ECLI:NL:CRVB:2022:2723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende toekenning basisbeurs wegens te late aanvraag
Appellante heeft op 24 augustus 2019 een basisbeurs aangevraagd, die door de minister werd toegekend vanaf 1 augustus 2019. De aanvraag voor een basisbeurs met terugwerkende kracht per 1 juli 2019 werd afgewezen omdat deze niet tijdig was ingediend volgens artikel 3.21 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd overwogen dat de minister niet verplicht is om voorafgaand aan de achttiende verjaardag van een studerende persoonlijk te informeren over de aanvraagmogelijkheden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet op de hoogte was van de voorwaarden en dat de minister coulant had moeten zijn.
De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De onbekendheid met de aanvraagvoorwaarden rechtvaardigt geen toepassing van de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de terugwerkende toekenning van de basisbeurs bevestigd.