Appellante ontving vanaf 16 november 2018 bijstand als alleenstaande ouder. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo trok de bijstand in en vorderde kosten terug omdat zij meende dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden vanaf die datum. Een onderzoek, inclusief huisbezoeken, waarnemingen en dossieronderzoek, leidde tot het besluit van intrekking en terugvordering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende bewijs boden dat X vanaf 16 november 2018 zijn hoofdverblijf bij appellante had. De verklaringen over het aantal dagen aanwezigheid waren wisselend en er ontbraken concrete feiten over overnachtingen en het zwaartepunt van het persoonlijk leven. Ook buurtverklaringen en waarnemingen ondersteunden dit niet voor de gehele periode.
Wel werd vastgesteld dat vanaf 15 augustus 2019 tot en met 29 november 2019 X zijn hoofdverblijf bij appellante had, gezien de aanwezigheid van persoonlijke bezittingen en frequente aanwezigheid van zijn auto. De Raad vernietigde daarom het besluit voor de periode van 16 november 2018 tot en met 14 augustus 2019 en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moet nemen over de terugvordering vanaf 15 augustus 2019. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.