Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:2740

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
20/2900 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door gemeente Someren

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Op 24 oktober 2022 trok de gemeente het hoger beroep in. Betrokkene verzocht vervolgens om proceskostenvergoeding. De gemeente maakte geen gebruik van de mogelijkheid om hiertegen verweer te voeren.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat op grond van artikel 8:118 Awb Pro bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld in de proceskosten. De Raad oordeelde dat er aanleiding was om het college van burgemeester en wethouders van Someren te veroordelen in de proceskosten die betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken.

De proceskosten werden begroot op € 759,- voor verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier D. van der Boom, op 21 december 2022.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Someren is veroordeeld tot betaling van € 759,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 december 2022
20/2900 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juli 2020, 19/3032 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 24 oktober 2022 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. A. van ‘t Laar verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft te kennen gegeven dat hij geen gebruik zal maken van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen tegen het verzoek om vergoeding van proceskosten.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 759,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van D. van der Boom als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2022.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) D. van der Boom