ECLI:NL:CRVB:2022:275

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2022
Publicatiedatum
9 februari 2022
Zaaknummer
20/3783 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing hoger beroep tegen toekenning pgb voor aandrijfondersteuning rolstoel

Appellant, volledig rolstoelafhankelijk, vroeg bij het college om een persoonsgebonden budget (pgb) voor aandrijfondersteuning van zijn rolstoel. Het college kende hem een pgb toe van €6.880,44. Appellant maakte bezwaar, stellende dat dit bedrag onvoldoende was om de aandrijfondersteuning inclusief onderhoud te bekostigen, verwijzend naar offertes van Medipoint en een andere leverancier.

Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat het pgb toereikend is om de voorziening bij Medipoint af te nemen, mede doordat het college een korting van 40% met Medipoint heeft afgesproken. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep van appellant af, waarbij werd opgemerkt dat appellant zelf verantwoordelijk is voor het informeren over de kortingsregeling.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, stellende dat het college hem eerder had moeten informeren over de korting. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en benadrukte dat appellant zelf heeft gekozen voor een pgb en daarmee verantwoordelijk is voor de aanschaf binnen het toegekende bedrag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

20 3783 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2020, 19/5533 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal (college)
Datum uitspraak: 2 februari 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. van der Veen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2021, gedeeltelijk door middel van beeldbellen. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote] en mr. Van der Veen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.T.G. Simons.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1954, heeft diverse fysieke beperkingen en is voor zijn verplaatsingen volledig rolstoelafhankelijk.
1.2.
Appellant heeft zich gemeld bij het college en verzocht om een aandrijfondersteuning voor zijn rolstoel in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Daaropvolgend heeft het college een onderzoek verricht. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een zogenoemd Plan van Aanpak. Vervolgens heeft appellant een aanvraag gedaan.
1.3.
Bij besluit van 29 januari 2019 heeft het college aan appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een aandrijfondersteuning voor zijn rolstoel verstrekt in de vorm van een pgb. De hoogte van het pgb is hierbij bepaald op € 6.880,44.
1.4.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 januari 2019. Onder verwijzing naar offertes van Medipoint (€ 9.143,79, inclusief onderhoud) en [naam B.V.] B.V. ([naam B.V.]) (€ 7.155,51, exclusief onderhoud) heeft appellant aangevoerd dat het verstrekte pgb ontoereikend is. Op 6 maart 2019 heeft appellant de aandrijfondersteuning gekocht bij [naam B.V.].
1.5.
Bij besluit van 20 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat het pgb toereikend is om de aandrijfondersteuning (inclusief onderhoud) aan te schaffen. Uit de rechtspraak volgt dat het pgb toereikend moet zijn om de voorziening af te kunnen nemen bij in ieder geval één aanbieder waarbij met die aanbieder overeengekomen kortingen mogen worden doorberekend in de hoogte van het pgb. Hieraan is voldaan, omdat het college een korting van 40% is overeengekomen met Medipoint.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en, voor zover nog van belang, het volgende overwogen. Uit de gedingstukken volgt dat de hoogte van het verstrekte pgb toereikend is om appellant in staat te stellen de aandrijfondersteuning, inclusief het onderhoud daarvan, bij een derde, te weten Medipoint, te kunnen betrekken. Dat appellant, toen hij de aandrijfondersteuning aanschafte er niet van op de hoogte was dat bij Medipoint 40% korting zou worden geboden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellant komt. Alvorens tot aanschaf over te gaan, had appellant zich uitgebreider moeten laten informeren.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat het college hem een pgb moet verstrekken ter hoogte van de door hem overgelegde offertes van Medipoint. Het college had appellant al voor de hoorzitting moeten informeren over de kortingsregeling bij Medipoint. Het kan hem niet worden verweten dat hij hiervan geen kennis had.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vindt de Raad geen steun om tot een ander oordeel te komen. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellant zelf heeft gekozen voor een pgb en daarmee zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van de aandrijfondersteuning voor zijn rolstoel. Hieruit vloeit ook voort dat het op zijn weg ligt om bij het college te informeren waar hij deze ondersteuning voor het toegekende bedrag kan kopen.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2022.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) M.E. van Donk