ECLI:NL:CRVB:2022:2750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met diverse klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde aanvankelijk de uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, en de rechtbank bevestigde dit besluit.
In hoger beroep diende appellante een gecombineerd medisch rapport in, waarna het UWV haar bezwaar alsnog gegrond verklaarde en een WGA-uitkering toekende met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Appellante stelde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en recht had op een IVA-uitkering.
De Raad vernietigde het eerdere besluit wegens onvoldoende medische grondslag, maar oordeelde dat het UWV voldoende had onderbouwd dat er nog behandelmogelijkheden waren, waardoor appellante niet als volledig duurzaam arbeidsongeschikt kon worden beschouwd. Het beroep tegen het gewijzigde besluit werd afgewezen.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskostenvergoeding van €6.102,06. Het UWV werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit wordt afgewezen; appellante is niet volledig duurzaam arbeidsongeschikt en ontvangt een WGA-uitkering.