ECLI:NL:CRVB:2022:2757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was werkzaam als medewerker logistiek/afdelingsassistente en meldde zich in april 2016 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende haar vanaf april 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. In juli 2019 werd deze omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een nieuw onderzoek in 2019 stelde het UWV vast dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop de uitkering per december 2019 werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van september 2019 gelijk waren aan die van februari 2018 en appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een verslechtering. Ook achtte de rechtbank de geselecteerde functies passend en vond geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen over onderschatting van haar beperkingen en psychische klachten, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank. De Raad oordeelde dat de FML voldoende rekening hield met haar beperkingen, dat de functies medisch geschikt zijn en dat er geen reden is een deskundige te benoemen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de beëindiging van de WIA-uitkering per 5 december 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.