ECLI:NL:CRVB:2022:2766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellant was sinds 2011 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 2013 een WGA-uitkering. Deze werd in 2016 beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In 2020 meldde appellant toegenomen klachten, maar het UWV weigerde een nieuwe WIA-uitkering toe te kennen, stellende dat de klachten niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortvloeiden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten geen aanwijzingen gaven voor toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel sprake was van toegenomen beperkingen, onder meer door hand-, rug- en psychische klachten, en overhandigde nieuwe medische stukken.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht had geconcludeerd dat de toegenomen beperkingen niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomen. De medische beoordeling was zorgvuldig en overtuigend, en de aanvullende stukken van appellant boden geen aanleiding tot twijfel. Het verzoek om een onafhankelijk deskundige werd afgewezen en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.