Uitspraak
21 2213 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
WGA-loonaanvullingsuitkering.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als accountmanager en meldde zich in 2011 ziek met psychische en fysieke klachten. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe, die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2019 stelde een verzekeringsarts een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op en werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 36,79%.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit leidde tot een nieuw besluit in 2020, waarin het UWV concludeerde dat zij geen recht meer had op een WIA-uitkering, gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige die de FML aanpasten en de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% stelden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar gezondheidstoestand onvoldoende was meegewogen, onder meer door het overlijden van haar vader en een ongeval in 2012, en dat het UWV ten onrechte een restverdiencapaciteit had aangenomen. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht, dat de klachten van appellante onvoldoende objectief waren onderbouwd en dat de FML en de geselecteerde functies juist waren vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op een WIA-uitkering vanaf 8 oktober 2020.