Appellante, met Dominicaanse nationaliteit en een Spaanse verblijfsvergunning, vroeg in oktober 2019 opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) nadat verblijf bij haar ex-partner niet mogelijk bleek. Het college wees de aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden en stelde dat zij zich kon handhaven met hulp uit haar sociale netwerk.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat appellante inmiddels bij haar partner verbleef en geen opvangvraag meer had. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel procesbelang had, mede vanwege een verzoek om vergoeding van proceskosten.
De Raad oordeelde dat appellante wel degelijk procesbelang heeft en vernietigde het vonnis van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het college terecht de aanvraag afwees omdat appellante onderdak had bij een vriendin en een baan had, waardoor zij zich kon handhaven. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De Raad veroordeelde het college tot betaling van proceskosten van €759 en bepaalde dat het betaalde griffierecht van €134 aan appellante wordt terugbetaald. Hiermee werd het besluit van het college bevestigd en het beroep afgewezen.