ECLI:NL:CRVB:2022:2821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
18/4537 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 lid 1 Wet WIAArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:57 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, die in Nederland en later in Noorwegen werkzaam was, vroeg een WIA-uitkering aan vanwege arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde deze uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd bevonden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig en de medische beoordeling als deugdelijk werd beschouwd.

Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, waaronder migraine, onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die een uitgebreid onderzoek verrichtte en concludeerde dat de beperkingen juist waren vastgesteld, met een lichte aanpassing voor zitduur. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de belastbaarheid geen invloed had op de geduide functies.

De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport overtuigend en consistent was en dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Hoewel het UWV de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in hoger beroep had aangepast, was het bestreden besluit niet voorzien van een deugdelijke motivering, maar deze formele tekortkoming werd gepasseerd omdat appellante niet benadeeld was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

18.4537 WIA

Datum uitspraak: 22 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2018, 18/387 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Noorwegen) (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P. Chr. Snijders, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft een verzekeringsarts als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 1 maart 2022 haar rapport uitgebracht. Hierop heeft het Uwv gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is in Nederland in loondienst werkzaam geweest in de jaren 1989 tot 2004, met onderbrekingen. In de periode van januari 2002 tot januari 2004 was er sprake van bevallingsverlof, ziektewetuitkering en een WAO-uitkering op grond van depressiviteit en locomotore problematiek. Nadien is appellante met haar gezin naar Noorwegen geëmigreerd, waar zij vanaf 2007 als kapster in loondienst werkzaam is geweest.
1.2.
Op 4 december 2008 heeft appellante zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden als kapster, waarna zij ziekengeld heeft gekregen in Noorwegen.
1.3.
Op 20 mei 2016 heeft het Noorse sociale verzekeringsorgaan, de NAV te Oslo, een aanvraag ingediend bij het Uwv, omdat appellante in Nederland verzekerde jaren heeft opgebouwd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft een intakeformulier ‘Laatst Buitenlands Verzekerde’ ingevuld. Naar aanleiding hiervan heeft een beoordeling op grond van de Wet WIA plaatsgevonden. Een arts van het Uwv heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend.
1.4.
Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het Uwv geweigerd appellante per 1 januari 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 december 2017 ten grondslag, waarin is geconcludeerd dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld. In de FML van 19 december 2017 is een aanvullende beperking voor nachtdiensten opgenomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen. Het medisch onderzoek is zorgvuldig verricht en het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In het door de NAV overgelegde E213-formulier van 4 juni 2016 wordt chronische lage rugpijn en oesofagitis als diagnose vermeld. Deze klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar meegewogen bij de vaststelling van de medische beperkingen van appellante. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van 5 juli 2017 en 23 oktober 2017 van behandelaar dr. P.K. Angen kenbaar meegewogen. Voorgenoemde stukken bieden geen aanknopingspunten om aan te nemen dat op 1 januari 2017 sprake was van andere, geobjectiveerde klachten, zoals een vorm van psychopathologie of migraine. Voor wat betreft het verschil in het toegekende arbeidsongeschiktheidspercentage tussen Noorwegen (100%) en Nederland (1,20%) heeft de rechtbank overwogen dat elk land zijn eigen socialezekerheidsstelsel mag inrichten en daarbij eigen criteria mag hanteren voor het vaststellen van iemands mate van arbeidsongeschiktheid. In Nederland wordt de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld door de arbeidsdeskundige, aan de hand van de door een verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen. Het feit dat in het geval van appellante de arbeidskundige beoordeling tot een lager percentage van arbeidsongeschiktheid leidt dan in Noorwegen, maakt de voorafgaande medische beoordeling door de verzekeringsarts niet onjuist of onvolledig.
3.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat zij niet is onderzocht door een verzekeringsarts. Zij stelt dat haar ernstige lichamelijke beperkingen onvoldoende zijn meegewogen. Er is onvoldoende gewicht toegekend aan de overgelegde medische informatie. In het bijzonder is onvoldoende rekening gehouden met onder andere een toename van de migraine. Ook arbeidskundig zijn de beperkingen van appellante onvoldoende meegewogen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 januari 2017 terecht op minder dan 35% heeft vastgesteld en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
De Raad heeft in de door appellante verstrekte medische informatie, alsmede in de omstandigheid dat appellante niet op het spreekuur van een verzekeringsarts is gezien, aanleiding gezien om verzekeringsarts L. Greveling-Fockens als deskundige te benoemen. Greveling-Fockens heeft fysiek en psychisch onderzoek verricht en in haar rapport van 1 maart 2022 uitgebreid gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Uitgaande van een milde depressieve stoornis kan zij zich verenigen met de beperkingen zoals vermeld in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML van 19 december 2017. De deskundige kan zich eveneens verenigen met de beperkingen voor de chronische rugklachten. Wel acht zij appellante in verband met die klachten meer beperkt voor zitten dan is aangenomen. In plaats van twee uur achtereen zitten acht zij één uur achtereen mogelijk. Ook heeft zij toegelicht dat op de datum in geding sprake was van migraine, maar dat geen sprake was van ernstig invaliderende klachten. De migraine was niet in die mate dat dit geleid zou moeten hebben tot excessief ziekteverzuim.
4.4.
Het Uwv heeft in de brief van 20 april 2022 te kennen gegeven zich met het standpunt van de deskundige te kunnen verenigen. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML aangepast en de beperkingen neergelegd in de FML van 21 maart 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 12 april 2022 gerapporteerd dat de aangescherpte belastbaarheid geen invloed heeft op de geduide functies.
4.5.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek (zowel fysiek als psychisch) en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen.
4.6.
Uitgaande van de belastbaarheid zoals die is vastgesteld in de FML van 21 maart 2022 zijn er geen aanknopingspunten voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellante voor de functies van samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar (SBC-code 267050), textielproductenmaker (SBC-code 111160) en productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC-code 111180). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 12 april 2022 toegelicht dat tijdens ieder werkuur het zitten onderbroken wordt door kortdurend lopen en staan. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat de belasting in de functies blijft binnen de belastbaarheid van de FML en dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt moet worden geacht en de aangescherpte belastbaarheid geen invloed heeft op de geduide functies.
4.7.
Zoals uit het voorgaande blijkt, kan de conclusie van het Uwv worden gevolgd dat appellante geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
4.8.
Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Nu het Uwv in hoger beroep de FML heeft gewijzigd, was het bestreden besluit niet voorzien van een deugdelijke motivering zoals artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist. Deze schending wordt met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen.
5. De toepassing van artikel 6:22, van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 759,- per punt) en € 759,- in hoger beroep (1 punt met wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift), totaal € 2.277,-. Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.277,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2022.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) S. Pouw