ECLI:NL:CRVB:2022:2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellante diende op 16 april 2020 een aanvraag om bijstand in en gaf aan te wonen bij haar vriendin X. Het college wees de aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden en appellante daardoor niet in aanmerking kwam voor bijstand als alleenstaande. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat tussen appellante en X sprake was van een gezamenlijke huishouding conform artikel 3 lid 3 Participatiewet Pro, waarbij zij hun hoofdverblijf deelden en wederzijdse zorg verleenden. Dit bleek uit verklaringen en een gespreksverslag waarin onder meer werd aangegeven dat appellante schoonmaakt, kookt, boodschappen doet en geld leent van X, terwijl X onderdak en financiële steun biedt.
Appellante voerde aan dat het gespreksverslag niet juist was, maar de Raad verwierp dit omdat zij het verslag had bevestigd zonder wijzigingen. De Raad concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen en dat er geen aanleiding was voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand voor een alleenstaande wordt afgewezen vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.