ECLI:NL:CRVB:2022:2829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2014 ziek vanwege rug-, hand- en knieklachten. Het UWV weigerde in 2016 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2019 meldde appellant zich opnieuw ziek met meerdere klachten, waaronder knie-, rug-, hand- en maagklachten, astma en obstipatie. Het UWV stelde vast dat appellant per 1 oktober 2019 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij geschikt werd geacht voor bepaalde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat de beperkingen niet waren toegenomen en het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen, mede vanwege het ontbreken van aanvullend medisch onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht en dat er geen aanleiding is om de vastgestelde belastbaarheid te betwijfelen. De Raad wijst erop dat klachten niet automatisch leiden tot beperkingen en dat de verzekeringsarts een afgewogen vertaalslag maakt. Het verzoek om aanvullend medisch onderzoek werd niet gegrond verklaard. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het recht op ziekengeld bevestigd.