Uitspraak
21 3012 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als verzorgende PGB, meldde zich ziek met gezondheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medisch onderzoek als zorgvuldig werd beoordeeld en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) als correct werden vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar knieklachten zwaarder wogen dan erkend, vooral voor functies als beddenreiniger. De Raad concludeerde dat deze gronden herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat geen nieuwe medische informatie was ingebracht. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en adequaat was, en dat de geduide functies medisch geschikt zijn.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door F.M. Rijnbeek en uitgesproken op 28 december 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.