ECLI:NL:CRVB:2022:2860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling duurzaam gescheiden leven voor AOW-pensioen toekenning
Appellante is sinds 2006 gehuwd en heeft op 20 juli 2021 een AOW-ouderdomspensioen aangevraagd. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende haar per 25 november 2021 een pensioen toe volgens de gehuwdennorm. Appellante maakte bezwaar en stelde dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot, waardoor zij aanspraak zou moeten maken op een ongehuwdenpensioen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden leven. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat zij en haar echtgenoot niet samenwonen, geen gezamenlijke activiteiten meer ondernemen en hun huwelijk vooral een zakelijke basis heeft vanwege een gezamenlijk vakantiehuis in Frankrijk.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat duurzaam gescheiden leven alleen kan worden aangenomen als aan drie voorwaarden wordt voldaan: een van beiden wil de huwelijkse samenleving verbreken, beiden leiden een afzonderlijk leven alsof ze niet gehuwd zijn, en ten minste een van beiden bedoelt dit als blijvend. De Raad vond dat de financiële en testamentaire verwevenheid, het gezamenlijke bezit en onderhoud van het vakantiehuis, het gezamenlijke bankrekeninggebruik en het contact voor het verzorgen van honden wezen op een situatie waarin geen duurzaam gescheiden leven bestaat.
De Raad concludeerde dat appellante en haar echtgenoot niet ieder een eigen leven leiden alsof ze niet gehuwd zijn en dat het hoger beroep daarom moet worden afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het ouderdomspensioen wordt toegekend naar de gehuwdennorm.