Uitspraak
19.634 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als montagemedewerker, meldde zich ziek op 23 oktober 2012 en ontving na afloop van de wachttijd geen WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na meerdere ziekmeldingen en een WW-uitkering, werd hem per 17 november 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van het dagloon, stellende dat onder meer verlofaanspraken en loon bij het einde van de dienstbetrekking niet waren meegenomen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd. De Raad oordeelde dat de referteperiode van één jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid correct was toegepast en dat de posten waarop appellant zich baseerde niet binnen deze periode vielen. Het UWV had het dagloon op juiste wijze vastgesteld, mede gelet op het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 januari 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het WIA-dagloon van appellant correct is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.