ECLI:NL:CRVB:2022:303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering bij 69,98% arbeidsongeschiktheid ondanks discussie over staan tijdens werk
Appellant, voormalig bedrijfsleider, meldde zich ziek met rug- en maag-/darmklachten en kreeg een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 45,37%. Na bezwaar en een medische herbeoordeling werd de arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 69,98%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de geselecteerde functies niet geschikt waren vanwege een overschrijding van de toegestane sta-belasting volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep corrigeerde later de toelichting bij het beoordelingspunt staan tijdens het werk, waardoor appellant in staat werd geacht vier uur per dag te kunnen staan.
De Raad oordeelde dat deze nadere medische onderbouwing navolgbaar is en dat de functies niet de belastbaarheid overschrijden. De schending van het motiveringsbeginsel in het bestreden besluit werd onder toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat appellant niet benadeeld is. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het Uwv mag de WGA-vervolguitkering op basis van 69,98% arbeidsongeschiktheid handhaven.