ECLI:NL:CRVB:2022:305
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering UWV na aflossingscapaciteitstoets in hoger beroep
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de terugvordering van een uitkering door het UWV. Het UWV had aanvankelijk de aflossingscapaciteit van appellant vastgesteld op €1.006,14 per maand, maar uit coulance werd een lagere maandelijkse inhouding van €673,34 gehanteerd. Na bezwaar van appellant werd dit bedrag bij het bestreden besluit verlaagd naar €561,11 per maand, zodat de terugvordering van €20.200,24 in 36 maanden kan worden voldaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat er geen dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de terugvordering ernstige sociale of financiële gevolgen voor hem had. De door appellant overgelegde medische informatie toonde geen ernstige medische of psychische problematiek als gevolg van de terugvordering.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. Hoewel appellant stress en depressieve gevoelens ervaart door de procedure en andere omstandigheden, waaronder een lopende strafzaak en rouwverwerking, bieden deze omstandigheden onvoldoende basis om van terugvordering af te zien. Er is geen sprake van onaanvaardbare sociale of financiële consequenties.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de aangevallen uitspraak en wijst het beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het UWV met een maandelijkse aflossingscapaciteit van €561,11 en wijst het hoger beroep af.