ECLI:NL:CRVB:2022:308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning bevestigd
Appellante, geboren in 1980, heeft vanwege lichamelijke klachten als gevolg van een ongeval een aanvraag ingediend voor verlenging van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af op basis van een medisch advies waarin werd geconcludeerd dat haar beperkingen niet zodanig zijn dat zij niet in staat is huishoudelijke taken te verrichten met gebruik van hulpmiddelen en spreiding van werkzaamheden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat het medisch advies zorgvuldig en overtuigend was en appellante geen bewijs had geleverd om dit te betwisten. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat het ondersteuningsplan niet de verwachting rechtvaardigde dat de voorziening ongewijzigd zou worden voortgezet.
In hoger beroep bracht appellante geen nieuwe gronden aan en de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank volledig. Tevens werd benadrukt dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat het ondersteuningsplan niet was ondertekend door appellante. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees proceskosten af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning wordt bevestigd.