Uitspraak
29 april 2019, 18/744 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als sales adviseur, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en navolgbaar werden beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij verdergaande beperkingen had dan aangenomen, onder meer op het gebied van concentratie en urenbeperking, en dat de arbeidsdeskundige ten onrechte functies geschikt had geacht die ongeschikt zouden zijn. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en het UWV. De medische rapporten, waaronder die van verzekeringsartsen bezwaar en beroep, waren overtuigend en gaven geen aanleiding tot aanvullende beperkingen.
De Raad concludeerde dat de subjectief ervaren klachten niet werden geobjectiveerd in neuropsychologisch onderzoek en dat de bedrijfsartsrapporten, bedoeld voor re-integratie, niet relevant zijn voor de WIA-beoordeling. Ook de arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.