Uitspraak
20 3791 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als gastvrouw in de ouderenzorg en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het medisch onderzoek en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) als zorgvuldig en voldoende onderbouwd beschouwde.
Appellante voerde in hoger beroep opnieuw aan dat zij ernstige lichamelijke en psychische klachten heeft die haar arbeidsvermogen beperken. Zij overhandigde aanvullende medische informatie, maar deze betrof vooral latere data en bracht geen wijziging in het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de beperkingen reeds voldoende in de FML had verwerkt.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding om het medisch oordeel te herzien of de geschiktheid voor de geduide functies in twijfel te trekken. Het hoger beroep wordt afgewezen en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.