ECLI:NL:CRVB:2022:349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering en afwijzing WIA-uitkering wegens niet doorlopen wachttijd
Appellante, laatst werkzaam als journalist/redacteur, meldde zich ziek met spanningsklachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Het UWV bracht haar in aanmerking voor een Ziektewetuitkering, maar stelde na onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde de ZW-uitkering per 31 augustus 2019. Tevens werd vastgesteld dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet is doorlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig werd bevonden en de medische beperkingen en belastbaarheid voldoende waren gemotiveerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar slapeloosheid en stelde een urenbeperking noodzakelijk te achten, onderbouwd met medische verklaringen.
De Raad oordeelt dat de medische informatie onvoldoende aanleiding geeft om het eerdere oordeel te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde overtuigend dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) gehandhaafd blijft en dat de klachten van appellante niet leiden tot een andere beoordeling van haar belastbaarheid. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt voor appellante en de wachttijd voor de WIA-uitkering is niet doorlopen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.