ECLI:NL:CRVB:2022:357
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens te late indiening ondanks detentie appellant
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij een bedrag van €171.615,70 ten onrechte had ontvangen en dit moest terugbetalen. Het bezwaar werd te laat ingediend, nadat de bezwaartermijn was verstreken. Appellant voerde aan dat hij tijdens zijn detentie van 13 april 2018 tot 10 november 2019 geen tijdige kennis kon nemen van het besluit, omdat het naar het adres van zijn ouders was gestuurd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het bezwaar te laat was ingediend en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij ingeschreven stond op het detentieadres. Ook dat zijn ouders zijn belangen niet konden behartigen, werd voor rekening van appellant gehouden.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld door het besluit alleen naar het laatst bekende adres te sturen, terwijl bekend was dat hij gedetineerd was. De Raad oordeelde dat het UWV aan zijn bekendmakingsverplichting had voldaan door het besluit naar het laatst bekende adres te sturen. Het was aan appellant om passende maatregelen te treffen om tijdig kennis te nemen van de post. Omdat appellant dit niet had gedaan, was er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare termijnoverschrijding.